Er zijn van die verhalen die zich in je vastzetten als de hitte van een veel te felle middag. L’Etranger van François Ozon is er zo één. Niet omdat er zoveel gebeurt, maar omdat er zo weinig gebeurt waar je normaal houvast aan ontleent: spijt, berouw, tranen, verklaringen.

We zijn in Algiers, 1938. De lucht is wit van het licht, de dagen zijn zinderend, en ergens tussen schaduw en verblinding loopt Meursault rond – een gewone man, begin dertig, opvallend in zijn onopvallendheid. Zijn moeder is gestorven. Er is een begrafenis. En hij huilt niet.

L’Etranger begint met een leegte. Geen grote dramatische uithalen, geen ouderwets filmisch rouwbedrijf, maar een man die aanwezig is bij de begrafenis van zijn moeder alsof het een administratieve handeling is die moet worden afgehandeld. Hij rookt, hij is moe, hij registreert.

Wat Ozon scherp laat voelen, is hoe snel die leegte zich vult – niet met verdriet, maar met projecties. De omgeving, de blikken, de maatschappij: iedereen lijkt meer aan Meursault te willen zien dan hij zelf bereid of in staat is te tonen. Hij is geen rouwende zoon, dus moet hij wel een monster zijn.

De dag na de begrafenis duikt hij weer het leven in: zwemmen, de lichte aanraking van Marie, het lichaam dat zich herinnert dat het leeft. De toon is schurend en precies: hoe verhouden lichamelijk plezier en moreel oordeel zich tot elkaar als de samenleving op de uitkijk staat? Mag je lachen, beminnen, verlangen, als je moeder net begraven is – of wordt dat dan meteen bewijsstuk A in een zaak die nog moet beginnen?

Als katalysator van het onheil is daar Raymond Sintès, de buurman met rafelranden. Hij sleept Meursault mee zijn schimmige wereld in, waar relaties geen veilige havens zijn maar machtsverhoudingen, en waar geweld altijd onder de huid aanwezig is. Meursault beweegt mee, niet uit overtuiging, maar uit onthechting. Hij lijkt zich telkens net genoeg te verhouden om deel te nemen, maar niet genoeg om verantwoordelijkheid echt te omarmen.

En dan is er die verzengend hete dag op het strand. Zelden voelde zon zo vijandig. In Camus’ roman is de hitte bijna een personage; Ozon maakt er beeld. Het licht slaat op de huid, op de ogen, op het geweer. Er is een moment, een keuze, een schot – of misschien eerder een glijbaan van omstandigheden waar Meursault zich niet actief tegen verzet.

De vraag die daarna blijft hangen: is hij dader uit overtuiging, of dader uit nalatigheid? Of is dat een moderne behoefte om te categoriseren, terwijl Meursault juist in het niemandsland daartussen zweeft?

In de rechtbank wordt het scherpst zichtbaar waar L’Etranger werkelijk over gaat. Het proces lijkt minder te draaien om de vraag: “Wat heeft hij gedaan?” en veel meer om: “Wat voor mens is hij?” Meursault wordt niet alleen beoordeeld op zijn daad op het strand, maar op zijn afwezigheid van tranen bij de kist van zijn moeder, op zijn weekend aan zee, zijn sigaretten, zijn gebrek aan spijt.

Het is pijnlijk herkenbaar: hoe vaak beoordelen we iemand niet op de “juiste” emotionele vorm – de goede woorden, het juiste aantal tranen, de correcte toon van schuldbesef – in plaats van op de werkelijkheid van hun handelen? L’Etranger laat dat mechanisme genadeloos zien. De samenleving blijkt een fijnmazig filtersysteem dat afwijkende gevoelsvormen net zo hard afstraft als strafbare feiten.

Kan iemand tot de dood worden veroordeeld omdat hij niet huilt? De film durft die vraag zonder vangnet te stellen. En misschien nog scherper: zijn we als toeschouwer bereid ons eigen verlangen naar “authentieke emotie” te onderzoeken?

L’Etranger is natuurlijk meer dan een boekverfilming. Camus’ roman uit 1942 – een van de meest verkochte Franse boeken aller tijden – is door de ogen van François Ozon opnieuw in beeld gebracht, met toestemming en betrokkenheid van Camus’ dochter. Dat voel je: er wordt niet alleen eer bewezen aan de tekst, maar ook gezocht naar een filmische taal die de existentiële leegte, de absurditeit en de morele verwarring van het origineel laat resoneren in onze tijd.

Benjamin Voisin maakt van Meursault geen karikatuur, maar een bijna ongemakkelijk herkenbare figuur: iemand die weigert meer te spelen dan de rol die hij zelf als “waar” ervaart. Hij voelt, maar hij dramatiseert niet. Hij leeft, maar hij kleedt dat leven niet aan met de taal die we graag horen. Rond hem heen bewegen sterke tegenspelers – Rebecca Marder, Pierre Lotin, Denis Lavant, Swann Arlaud – die allemaal een ander gezicht van de maatschappelijke norm tonen: het verlangen naar orde, moraal, houvast, verhaal.

Misschien is dat wel de grootste kracht van de film: je uit evenwicht brengen. Niet door shock, maar door consequent te weigeren jou te geven wat je gewend bent – de duidelijke held, de duidelijke schurk, het duidelijke inzicht.

L’Etranger is bij uitstek een film die vraagt om nagesprek. Niet om hem uit te leggen, maar om te onderzoeken wat hij met je doet. Word je boos op Meursault? Ontroerd? Frustreren zijn onverschillige antwoorden je? Of herken je iets in zijn weigering om mee te gaan in het emotionele scenario dat van hem verwacht wordt?

Misschien is dat uiteindelijk de meest hoopvolle beweging die L’Etranger oproept: niet de geruststellende conclusie dat we weten wie Meursault is, maar de uitnodiging om preciezer te kijken naar hoe we oordelen, hoe we voelen, en welke prijs we soms vragen van wie niet huilt waar wij een traan verwachten.

En ergens, onder die felwitte zon boven Algiers, blijft de vraag zachtjes nadreunen: wat maakt iemand schuldig – zijn daad, zijn gevoel, of onze behoefte aan een begrijpelijk verhaal?